TAAL LEREN MET EEN TALENQUEST

 

 

 

Handige adressen

 

 

www.talenquest.nl

 

Met veel “gekeurde” talenquests voor po en vo en veel hulpmiddelen

 

 

 

 

 

http://www.nabmvt.nl

 

 

Met veel achtergrondinformatie

 

 

 

 

 

http://webquest.sdsu.edu/

 

 

Dé site van prof. Bernie Dodge voor webquests

 

 

 

 

 

 

http://webquest.kennisnet.nl

 

 

Webquests maken met de webquestmaker.

 

De indeling en navigatie van de WebQuest is al voorgeprogrammeerd. Je hoeft alleen nog maar voor de inhoud te zorgen.
Je kunt op een eenvoudige manier foto's, afbeeldingen, video en geluidsfragmenten toevoegen. Met andere woorden je kunt je WebQuest ook nog eens multimediaal maken.

 

 

 

 

 

Handreikingen voor het ontwerpen van een talenquest

Gerard Westhoff

 

Vooraf

Talenquests zijn WebQuests die speciaal zijn ontworpen voor het leren van vreemde talen. Niet elke opdracht, die leerlingen laat zoeken op internet, is een WebQuest. Vaak gaat het in werkelijkheid om een web-based minicursus. Hoewel het in beide gevallen om aantrekkelijke activiteiten gaat waarvan je waarschijnlijk veel leert, bestaat er tussen die twee een wezenlijk verschil in aansturing en uitkomst.

 

Een talenquest is gedacht vanuit wat een ontwerper wil laten maken. Een levensechte onderneming, die bijna ongemerkt allerlei leeractiviteit oproept. Het product van die onderneming staat voorop, de leeractiviteit die door het produceren wordt uitgelokt is het quasi-toevallig neveneffect.

·         In het ideale geval is de taak geheel open. Het is de professionaliteit van de ontwerper om hem zo slim in elkaar te zetten, dat de uitvoerder dingen doet waarvan hij veel leert in de richting, die de ontwerper voor ogen stond. Maar die leerzame activiteiten worden nooit expliciet opgedragen.

·         Sturing van de leeractiviteit vindt plaats door vooraf gestelde specificaties. Zoals je aan een architect kunt vragen om een gebouw te ontwerpen dat aan bepaalde eisen voldoet (Niet duurder dan …, Niet hoger dan …, Minstens zo en zoveel ruimtes van een minimaal vastgesteld aantal vierkante meters, ruime entree, zachte akoestiek, etc. etc.). Verder kun je sturen door de bronnen die je klaar zet. Maar binnen die speelruimte is elk product acceptabel.

·         Voor de bij het produceren te volgen procedure kun je hints geven, maar, net als in het echte leven, beslist de groep zelf over de te ondernemen stappen en te maken keuzes in het gebruik van beschikbare informatie.

·         Vaak zal sprake zijn van een rolverdeling. Dat betekent, dat ook niet iedere deelnemer hetzelfde doet. Vaak zal, integendeel, juist iedereen iets anders doen, afhankelijk van zijn rol, taak en talent.

·         Bij een product hoort een “ontvanger” voor wie het product een echte functie heeft. Het beantwoordt een vraag, lost een probleem op, doet een suggestie voor actie, stelt een plan voor, of iets dergelijks. Dat kan echt zijn (B.v. een video over de eigen woonplaats voor de buitenlandse partnerschool) of gesimuleerd (b.v. “Je bent zogenaamd gevraagd om een website te maken voor de fanclub van een popster”) Zo’n “echte” belanghebbende moet minstens voorstelbaar zijn.

 


 

Minicursussen zijn gedacht en ontworpen vanuit wat de ontwerper wil laten leren. Dat kan iets tamelijk specifieks zijn (“De verleden tijd”.  “Jezelf voorstellen” of zo iets).

·         De voornaamste sturing zit niet in het product of de specificaties daarvan, maar in de veelal gesloten expliciete (deel)opdrachten (“Zoek … op in je woordenboek” of “Ga naar …, Klik op …. Load down in …”). Er kan weliswaar een soort functionele schil omheen zijn gezet om het geheel een levensecht aanzien te geven, maar de uit te voeren leeractiviteiten zijn de hoofdzaak. De schil is aankleding. Verguldsel.

·         In principe doen dan ook alle deelnemers hetzelfde, ook al doen ze dat in samenwerkende groepjes. Maar meestal kan de taak ook individueel in de zelfde of zelfs minder tijd worden uitgevoerd. Het gaat er immers om dat een bepaalde specifieke leeractiviteit wordt uitgevoerd.

·         De opdrachten zijn beoordeelbaar als goed of fout (“Ga naar …. Hoe heet …?”).

·         De presentatie van het product heeft vooral een functie voor de makers ervan. Ze laten zien wat ze hebben geleerd, gevonden of gedaan. (“Zoek informatie op over … en presenteer aan de klas wat je hebt gevonden.”) Behalve de mogelijkheid om een oordeel over de kwaliteit te geven is er geen echt belang bij anderen in kennisname van het product.

 


 

 

Web-based minicursussen

WebQuests

 

Gedacht vanuit wat je wilt laten leren/oefenen

(`de verleden tijd´, `je voorstellen´)

 

 

Gedacht vanuit wat je wilt laten maken, het product (een video, een website, een rapport)

 

De zin of functionaliteit alleen of vooral te onderbouwen als oefenactiviteit

 

 

Voorstelbaar als zinvol of van belang voor `afnemer´ buiten de onderwijssituatie

 

Gesloten taken. Oplossing staat te voren vast.

B.v. “Aan welke Zwitserse universiteiten kun je Keltisch studeren? Hoelang duurt dat? Wat kost het? Waar is de Mensa het goedkoopst?”

 

 

Open taken. Oneindig aantal verschillende goede oplossingen

B.v. “Doe een voorstel aan je klasgenoten voor een studie in Zwitserland overeenkomstig hun toekomstplannen,  beschikbare tijd, financiële mogelijkheden en gewenste kenmerken van studentenstad.”

 

 

Resultaat is goed of fout

 

Elk resultaat binnen afgesproken specificaties is acceptabel

 

 

Planningssuggesties gedetailleerd en verplicht

 

 

Procedure te ontwerpen door uitvoerders. Hoogstens vrijblijvende globale hints

 

Taak stuurt naar `alle leerlingen doen hetzelfde´

 

 

Taak stuurt naar taakverdeling overeenkomstig rollen en talenten

 

Kan ook individueel

 

 

Veronderstelt meestal een team

 

Selectie van te gebruiken bronnen door ontwerper en verplicht.

 

 

Selectie van te gebruiken bronnen als start. Keuze verder aan de uitvoerders. Die kunnen ook ‘doorklikken’.

 

(Deel)taken vaak gemaakt voor uitvoering op specifiek aangegeven materiaal

 

 

(Deel)taken veelal aangestuurd via specificaties van het product. (Beslis wat je gaat eten. Je mag maar € 18,-  uitgeven).

 

 

Presentatie vooral belang van presentatoren en beoordelaars

 

 

Presentatie in belang van al dan niet denkbeeldige `afnemer´

 

 

 

 

Hulpdocument ontwerpen talenquest

1.      Wat wordt het onderwerp van de talenquest.

 

 

 

 

 

 

 

 

a.      Hoe sluit het onderwerp aan bij de leefwereld van de leerling?

 

 

 

 

 

 

 

b.      Hoe sluit het onderwerp aan bij eerder opgedane kennis?

 

 

 

 

 

 

 

 

2.      Welke activiteiten voeren leerlingen uit?

 

 

 

 

 

 

 

 

a.      Hoe denk jij  dat leerlingen met het onderwerp omgaan?

 

 

 

 

 

 

 

 

b.      Hoe kunnen leerlingen samenwerken?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

c.      Waarop worden leerlingen afgerekend?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.      Welke leervraag zit er achter de talenquest?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

a.      Wat wil je dat leerlingen na het uitvoeren van de talenquest hebben geleerd?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

b.      Hoe laat je leerlingen reflecteren op het eigen leren?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

c.      Hoe kunnen leerlingen vanuit verschillende vakken aan deze quest werken?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4.      Hoe daag je leerlingen uit met deze talenquest?

 

 

 

 

 

 

 

a.      wat doen leerlingen bij het uitvoeren van de talenquest? (spelen, onderzoek, experimenteren, onderzoeken, ordenen?)

 

 

 

 

 

 

 

b.      De talenquest levert een product op. Uit welke producten kunnen leerlingen kiezen?

 

 

 

 

 

 

 

c.      Hoe kunnen de leerlingen hun eindproduct aan anderen laten zien?

 

 

 

 

 

 

 

 

5.      Zoek op internet enkele bronnen die de leerlingen kunnen gebruiken.

 

 

 

 

 

 

 

 

a.      welke zoekcriteria  gebruik je?